vrijdag, april 16, 2004
Wonderdorp V
Veel dichter dan tot op honderd meter moesten we niet komen, reeds bij de eerste blik van Liofolf weerklonk een uitbundige lach.
Erasmus! Die ouwe pater, al goed dat hun bier zo goed smaakte.
“Wat doe jij zo ver weg van de abdij?” Liofolf stelt altijd interessante vragen.
“Ach, jij klein addergebroed! Als ik kon sloeg ik je in de ban van de kerk met uw goddeloze gedachten en uw ondeugende lach, en jij, Vrederick, bent al niet veel beter! Het hout is jouw God, jij ketter! En jij, schrijvertje, met uw heidense geschriften, het is een zonde dat de abt niet inziet wat voor een onreine handen onze Heilige Boeken aanraken!”
“Erasmus, ouwe vleugelloze vogel,” zei Vrederick, “stop met tateren als een versleten gans en zeg ons wat gij hier doet!”
De zware gerokte pater kneep ons allemaal eventjes fijn. “Hebben jullie wat te drinken bij?”
Ik gaf hem de bierkruik.
“Ik was op weg naar het dorp om Vrederick te spreken, maar alsof God Hemzelf onze vriend uit zijn werkkamer gerukt heeft en wat dichter richting mij gesmeten heeft, voorwaar hij staat hier voor mij neus.”
“Wat heb je nu weer voor mij?” vroeg Vrederick. “Één of ander vers uit de Bijbel die nog van toepassing is op mijn persoon?”
Erasmus! Die ouwe pater, al goed dat hun bier zo goed smaakte.
“Wat doe jij zo ver weg van de abdij?” Liofolf stelt altijd interessante vragen.
“Ach, jij klein addergebroed! Als ik kon sloeg ik je in de ban van de kerk met uw goddeloze gedachten en uw ondeugende lach, en jij, Vrederick, bent al niet veel beter! Het hout is jouw God, jij ketter! En jij, schrijvertje, met uw heidense geschriften, het is een zonde dat de abt niet inziet wat voor een onreine handen onze Heilige Boeken aanraken!”
“Erasmus, ouwe vleugelloze vogel,” zei Vrederick, “stop met tateren als een versleten gans en zeg ons wat gij hier doet!”
De zware gerokte pater kneep ons allemaal eventjes fijn. “Hebben jullie wat te drinken bij?”
Ik gaf hem de bierkruik.
“Ik was op weg naar het dorp om Vrederick te spreken, maar alsof God Hemzelf onze vriend uit zijn werkkamer gerukt heeft en wat dichter richting mij gesmeten heeft, voorwaar hij staat hier voor mij neus.”
“Wat heb je nu weer voor mij?” vroeg Vrederick. “Één of ander vers uit de Bijbel die nog van toepassing is op mijn persoon?”
Wonderdorp IV
De melodieuze hoefslagen van de twee paarden verslond de betrekkelijke stilte die meestal in het Wonderbos heerste. Het zal je niet verbazen dat Vrederick ondertussen reeds lag te slapen op de harde ondergrond van de wagen, hij is namelijk iemand die leeft en slaapt voor zijn werk. Ik denk dat de lamp in zijn werkkamer slechts uitgaat als de wind er zo over beslist.
En in het perfect aaneensluitend houtwerk dat zijn huis is, heeft de wind geen gezag.
Het gemoedelijke en lome dat hij in de dagdagelijkse omgang tentoon spreidt verliest hij helemaal als hij het hout aan het plooien is naar zijn gedachte en wens.
Liofolf gaapt heel even en kijkt door de weinige vensters in het bladerdek heen naar de lucht die hem waarschijnlijk meer verteld dan een boek kan.
Hij is me er eentje. En Vrederick is de tweede, waarschijnlijk droomt hij nu van verafgelegen bossen die hun bomen afgeven door één tikje tegen hun zorgvuldig onderhouden schors die hun geschiedenisboek beschermd. Verwerkt in de bast en de wortels.
Ik hoef me niet te concentreren op de hoeven van de merries, het pad leidt hen naar het eindpunt van onze reis. Het pad leeft, zo beweerd Liofolf altijd. In mijn arme hoofd verzamelen zich zoveel gedachten dat al het hout van dit bos niet sterk genoeg zou zijn om hun gewicht te torsen.
Mooie woorden, wonderwoorden, tranerige woorden waarvan de inkt uitloopt over het bospad en de occasionele plassen, die veel leven onderdak bieden, maar onze ogen niet de gunst verlenen ze te bewonderen, kleuren.
Liofolf rukte me onzacht weg uit het gedicht der eeuwigheid, waar ik ooit wel eens zal in verzakken om nooit meer los te raken.
Het zal een mooie manier zijn om de eeuwigheid te verwerven. In de grond van mijn ziel of wat er voor moet doorgaan denk ik dat we allemaal leven in geleende tijd. Het is een gedachte die je pas begrijpt als je ze verder onleedt.
Maar eerst even luisteren naar wat Liofolf, de wijze wil zeggen.
“Vent, de reis schiet goed op en de zon staat nog niet waar ze bij etenstijd zal staan, maar ik voel mijn blaas vullen met lichaamssappen die er eigenlijk niet meer bij kunnen. Permiteert uw persoontje mij om wat ruimte te scheppen voor ook mijn gemoed vol schiet?”
Tot zover mijn lyrische gedachten. Ik liet de paarden halt houden aan de rand van een kleine opening in het bos waar redelijk wat gras groeide. Ik kneep de neus van Vrederick even dicht om samen met hem even de benen en de geest te strekken aan de rand van de vlakte.
Voor hij echter naar adem en krachttermen kon happen, zag ik aan mijn rechterzijde een mens vorm krijgen en zich losrukken uit de schaduw en de camouflerende werking van het struikgewas.
Ik verwittigde Liofolf met een kort woord dat eerder een klank is en begaf me, op korte afstand gevolgd door Lio, naar het gezicht dat nog niet helemaal te onderscheiden was van de omgeving.....
En in het perfect aaneensluitend houtwerk dat zijn huis is, heeft de wind geen gezag.
Het gemoedelijke en lome dat hij in de dagdagelijkse omgang tentoon spreidt verliest hij helemaal als hij het hout aan het plooien is naar zijn gedachte en wens.
Liofolf gaapt heel even en kijkt door de weinige vensters in het bladerdek heen naar de lucht die hem waarschijnlijk meer verteld dan een boek kan.
Hij is me er eentje. En Vrederick is de tweede, waarschijnlijk droomt hij nu van verafgelegen bossen die hun bomen afgeven door één tikje tegen hun zorgvuldig onderhouden schors die hun geschiedenisboek beschermd. Verwerkt in de bast en de wortels.
Ik hoef me niet te concentreren op de hoeven van de merries, het pad leidt hen naar het eindpunt van onze reis. Het pad leeft, zo beweerd Liofolf altijd. In mijn arme hoofd verzamelen zich zoveel gedachten dat al het hout van dit bos niet sterk genoeg zou zijn om hun gewicht te torsen.
Mooie woorden, wonderwoorden, tranerige woorden waarvan de inkt uitloopt over het bospad en de occasionele plassen, die veel leven onderdak bieden, maar onze ogen niet de gunst verlenen ze te bewonderen, kleuren.
Liofolf rukte me onzacht weg uit het gedicht der eeuwigheid, waar ik ooit wel eens zal in verzakken om nooit meer los te raken.
Het zal een mooie manier zijn om de eeuwigheid te verwerven. In de grond van mijn ziel of wat er voor moet doorgaan denk ik dat we allemaal leven in geleende tijd. Het is een gedachte die je pas begrijpt als je ze verder onleedt.
Maar eerst even luisteren naar wat Liofolf, de wijze wil zeggen.
“Vent, de reis schiet goed op en de zon staat nog niet waar ze bij etenstijd zal staan, maar ik voel mijn blaas vullen met lichaamssappen die er eigenlijk niet meer bij kunnen. Permiteert uw persoontje mij om wat ruimte te scheppen voor ook mijn gemoed vol schiet?”
Tot zover mijn lyrische gedachten. Ik liet de paarden halt houden aan de rand van een kleine opening in het bos waar redelijk wat gras groeide. Ik kneep de neus van Vrederick even dicht om samen met hem even de benen en de geest te strekken aan de rand van de vlakte.
Voor hij echter naar adem en krachttermen kon happen, zag ik aan mijn rechterzijde een mens vorm krijgen en zich losrukken uit de schaduw en de camouflerende werking van het struikgewas.
Ik verwittigde Liofolf met een kort woord dat eerder een klank is en begaf me, op korte afstand gevolgd door Lio, naar het gezicht dat nog niet helemaal te onderscheiden was van de omgeving.....
Wonderdorp III
Als het morgenhaantje kraait moet ik opstaan, maar deze keer ben ik al op weg naar Vrederick. Waar, als het goed is, Liofolf al staat te wachten met zijn wagen en paarden.
Het onoplettende takje dat mijn hoofd raaktje moest het krakend ontgelden.
In een perfecte wereld zou ik voor ieder gestorven takje een boom planten.
Ik heb het geprobeerd, maar nu heb ik geen plaats meer op mijn erf.
Waarom we naar de stad gaan? Wel, Vrederick moet er een paar kasten gaan leveren en ik moet onderweg de boeken op de abdij bezorgen.
De pater die vroeger instond voor het luchten is reeds lang overleden. Vadertje abt besteed meer en meer werk uit aan de dorpelingen. Moest ik weten wat een multinational is, ik zou de orde ermee vergelijken.
Nu kan ik dat nog even niet doen.
Het zal je misschien verwonderen, maar dit dorp is niet voor weinig gezegend met de naam “Wonderdorp”, al is het enkel de dorpelingen zelf die die naam in de mond nemen, herkauwen en in ons alleraardigst en zacht dialect terug uitspuwen, maar dan op een adelijke manier.
“Hé, Vrederick! En Liofolf! Lang geleden! Let op, uw merries staren naar een andere hengst!”
Ik weet hoeveel Lio om zijn paarden geeft.
De kasten staan al op de wagen, ik weet wanneer ik ergens aan moet komen, toevallig net als alle werk achter de rug is.
Ik ben meer een geest dan een lichaam, hoewel ik geen klein manneke ben.
Omdat niemand van ons koetjes en kalfjes heeft, praten we er ook niet over en vertrekken we, zo komen we hopelijk nog voor de middag aan de abdij aan.
“Bier!”, roept Vrederick, em met het hoofd knikkend geven de paarden gevolg aan het vertrekteken.
Liofolf bladert onverzadigbaar in de boeken van de geestige paters, Vrderick praat over zijn werk tegen de bomen die hij straks zal gaan vellen om ze te verwerken, en ook een beetje tegen de tand des tijds, die voorlopig enkel nog groeit in Lio’s mond. Niemand antwoord.
Met de leidels los in mijn hand en de zweep waar ze thuishoort, thuis, laat ik de hoeven de drassige bosgrond kietelen.
Het raakpunt tussen de natuur en mezelf is de onstilbare honger naar schoonheid, de natuur bezit het zelf, ik probeer die te vormen met woorden.
Het onoplettende takje dat mijn hoofd raaktje moest het krakend ontgelden.
In een perfecte wereld zou ik voor ieder gestorven takje een boom planten.
Ik heb het geprobeerd, maar nu heb ik geen plaats meer op mijn erf.
Waarom we naar de stad gaan? Wel, Vrederick moet er een paar kasten gaan leveren en ik moet onderweg de boeken op de abdij bezorgen.
De pater die vroeger instond voor het luchten is reeds lang overleden. Vadertje abt besteed meer en meer werk uit aan de dorpelingen. Moest ik weten wat een multinational is, ik zou de orde ermee vergelijken.
Nu kan ik dat nog even niet doen.
Het zal je misschien verwonderen, maar dit dorp is niet voor weinig gezegend met de naam “Wonderdorp”, al is het enkel de dorpelingen zelf die die naam in de mond nemen, herkauwen en in ons alleraardigst en zacht dialect terug uitspuwen, maar dan op een adelijke manier.
“Hé, Vrederick! En Liofolf! Lang geleden! Let op, uw merries staren naar een andere hengst!”
Ik weet hoeveel Lio om zijn paarden geeft.
De kasten staan al op de wagen, ik weet wanneer ik ergens aan moet komen, toevallig net als alle werk achter de rug is.
Ik ben meer een geest dan een lichaam, hoewel ik geen klein manneke ben.
Omdat niemand van ons koetjes en kalfjes heeft, praten we er ook niet over en vertrekken we, zo komen we hopelijk nog voor de middag aan de abdij aan.
“Bier!”, roept Vrederick, em met het hoofd knikkend geven de paarden gevolg aan het vertrekteken.
Liofolf bladert onverzadigbaar in de boeken van de geestige paters, Vrderick praat over zijn werk tegen de bomen die hij straks zal gaan vellen om ze te verwerken, en ook een beetje tegen de tand des tijds, die voorlopig enkel nog groeit in Lio’s mond. Niemand antwoord.
Met de leidels los in mijn hand en de zweep waar ze thuishoort, thuis, laat ik de hoeven de drassige bosgrond kietelen.
Het raakpunt tussen de natuur en mezelf is de onstilbare honger naar schoonheid, de natuur bezit het zelf, ik probeer die te vormen met woorden.
Wonderdorp II
Aernken, het jongetje dat van niemand is en iedereen graag ziet, stond buiten te tongen met de sneeuw, of wat het ook was, maar zijn neusje ving meer sneeuw dat zijn, euhm, proeforgaan.
Ik had iedereen een goeie avond gewenst, Vrederick beloofd dat ik eens zou nadenken over dat gezegde om op een plaatje te zetten dat hij op mijn kast wil hangen, de waard een schouderklopke gegeven en vergeten te betalen.
Aan mijn arm, of ik aan de hare, lopen ik en Rijketje naar ons woning.
Net voor we onze aardeweg insloegen bedacht ik even dat ik die dag nog niet langs Liofolf gepasseerd was.
Ik kuste Rijketje exteeem zacht en zij haar om maar eventjes haar lichaam aan de kachel te gaan warmen tot ik er weer was om haar hart te verwarmen. Ik hou van haar.
Liofolf is, voor zover ik weet een Ier die ooit veel gevochten heeft en nu vooral vecht met zijn herinneringen.
Ikzelf ben redelijk vreedzaam, in vredestijd, moet ik er eerlijkheidshalve helemaal aan toevoegen.
Maar niet die ouwe oorlogverhalen die hij altijd weigert te vertellen treken me aan, nee, hij is zeer wijs, te wijs voor een Ier volgens velen. En de schokgolf die door het dorp trok toen hij terloops opmerkte dat hioj niet dronk.
Dat moment staat voor altijd in het collectieve geheugen van de dorpelingen gegrift en het wordt des winters altijd doorverteld aan de allerjongsten.
Het is een rustig dorp, mijn dorp.
Liofolf deed open, de geniepigaard ziet me altijd van een mijl ver komen, ik wou dat hij eens iets stevigs dronk.
Het mag gzegd worden, als je als dichter geen inspiratie hebt moet je eens langs onze Liofolf passeren. Hij antwoord in zo’n raadselachtige bewoordingen dat de hemel heel eventjes open lijkt te gaan.
“Vent, kom binnen, kom binnen. Veeg uw voeten af aan het gebruikelijke en steek van wal.”
Zo, ik was verwelkomd.
“Uw bloem is verwelkt;”, zei ik om het ijs op mijn lippen te breken, en ik voegde eraan toe:”Koud, koud; koud.”
“ja,” zei hij “het is winter hé”
“Vertel me eens wat brengt de dag van morgen voor jou? Weeral observeren?”
“Het is maar een gedacht, Liofolf, maar wil je morgen even meedoen?”
“Om eens wat verstandigers te zeggen, wat is de wereld, dat de mensen zo opgeblazen moeten doen over het dagdagelijkse? Ok, de mooiheid zit erin vervat en het leeft gemakkelijker dan de dwangbuis die een ambt veelal is. Maar waar blijft de echtheid?”
“Och, man,” zei ik, “de wereld is een pomp. Maar nu even iets anders, morgen gaan ik en Vrederick naar de stad, zin om mee te gaan?”
“Altijd, maar wat voert jullie daarheen?”
“Ik had enigzins gehoopt dat U dat voor uw rekening zou nemen, aangezien jij de snelste wagen hebt.”
“Ach, zever niet man, maar het is goed, ik rij jullie wel tot ginds”
“Dat is mooi van je. En van mooi gesproken, heb je nog die boterbloemzalf, tegen de jeuk en zo.”
“Natuurlijk, en je hoeft het potje niet terug te brengen, aangezien je voortdurend met je vingers aan je ballen zit en dan weer in het zalfje. Maar goed, als het jeukt moet je insmeren.”
De nacht was al oud toen ik bij hem wegging, ik liep maar even tot aan het huis, het was niet ver, maar ik was van dichtbij gezien toch al redelijk dood.
Ik opende de deur, de kat glipte ongewenst langs me binnen en ik vervoegde mijn Ster op de bank voor haar tas soep.
Ik denk het vaak en nu zeg ik het: “Rustig is het dorp, het zwijn legt zeven biggen in één worp.”
En meer zeg ik veelal niet, het is nimmer grappig, mijn zinnen, mijn gelaatstrekken en mijn, ik gaap, ik gaap, ik gaap.
Het is morgen vroeg dag, vandaag is het laat in de avond.
Morgen ga ik naar de stad, vandaag ga ik Rijketje eens goed verwennen.
“Honing in die melk van je, lieveke.”
Ik ben een echte man.
Ik had iedereen een goeie avond gewenst, Vrederick beloofd dat ik eens zou nadenken over dat gezegde om op een plaatje te zetten dat hij op mijn kast wil hangen, de waard een schouderklopke gegeven en vergeten te betalen.
Aan mijn arm, of ik aan de hare, lopen ik en Rijketje naar ons woning.
Net voor we onze aardeweg insloegen bedacht ik even dat ik die dag nog niet langs Liofolf gepasseerd was.
Ik kuste Rijketje exteeem zacht en zij haar om maar eventjes haar lichaam aan de kachel te gaan warmen tot ik er weer was om haar hart te verwarmen. Ik hou van haar.
Liofolf is, voor zover ik weet een Ier die ooit veel gevochten heeft en nu vooral vecht met zijn herinneringen.
Ikzelf ben redelijk vreedzaam, in vredestijd, moet ik er eerlijkheidshalve helemaal aan toevoegen.
Maar niet die ouwe oorlogverhalen die hij altijd weigert te vertellen treken me aan, nee, hij is zeer wijs, te wijs voor een Ier volgens velen. En de schokgolf die door het dorp trok toen hij terloops opmerkte dat hioj niet dronk.
Dat moment staat voor altijd in het collectieve geheugen van de dorpelingen gegrift en het wordt des winters altijd doorverteld aan de allerjongsten.
Het is een rustig dorp, mijn dorp.
Liofolf deed open, de geniepigaard ziet me altijd van een mijl ver komen, ik wou dat hij eens iets stevigs dronk.
Het mag gzegd worden, als je als dichter geen inspiratie hebt moet je eens langs onze Liofolf passeren. Hij antwoord in zo’n raadselachtige bewoordingen dat de hemel heel eventjes open lijkt te gaan.
“Vent, kom binnen, kom binnen. Veeg uw voeten af aan het gebruikelijke en steek van wal.”
Zo, ik was verwelkomd.
“Uw bloem is verwelkt;”, zei ik om het ijs op mijn lippen te breken, en ik voegde eraan toe:”Koud, koud; koud.”
“ja,” zei hij “het is winter hé”
“Vertel me eens wat brengt de dag van morgen voor jou? Weeral observeren?”
“Het is maar een gedacht, Liofolf, maar wil je morgen even meedoen?”
“Om eens wat verstandigers te zeggen, wat is de wereld, dat de mensen zo opgeblazen moeten doen over het dagdagelijkse? Ok, de mooiheid zit erin vervat en het leeft gemakkelijker dan de dwangbuis die een ambt veelal is. Maar waar blijft de echtheid?”
“Och, man,” zei ik, “de wereld is een pomp. Maar nu even iets anders, morgen gaan ik en Vrederick naar de stad, zin om mee te gaan?”
“Altijd, maar wat voert jullie daarheen?”
“Ik had enigzins gehoopt dat U dat voor uw rekening zou nemen, aangezien jij de snelste wagen hebt.”
“Ach, zever niet man, maar het is goed, ik rij jullie wel tot ginds”
“Dat is mooi van je. En van mooi gesproken, heb je nog die boterbloemzalf, tegen de jeuk en zo.”
“Natuurlijk, en je hoeft het potje niet terug te brengen, aangezien je voortdurend met je vingers aan je ballen zit en dan weer in het zalfje. Maar goed, als het jeukt moet je insmeren.”
De nacht was al oud toen ik bij hem wegging, ik liep maar even tot aan het huis, het was niet ver, maar ik was van dichtbij gezien toch al redelijk dood.
Ik opende de deur, de kat glipte ongewenst langs me binnen en ik vervoegde mijn Ster op de bank voor haar tas soep.
Ik denk het vaak en nu zeg ik het: “Rustig is het dorp, het zwijn legt zeven biggen in één worp.”
En meer zeg ik veelal niet, het is nimmer grappig, mijn zinnen, mijn gelaatstrekken en mijn, ik gaap, ik gaap, ik gaap.
Het is morgen vroeg dag, vandaag is het laat in de avond.
Morgen ga ik naar de stad, vandaag ga ik Rijketje eens goed verwennen.
“Honing in die melk van je, lieveke.”
Ik ben een echte man.
Wonderdorp
De deur zwaaide open, de man, die we reeds van ver hadden zien aankomen, was slechts zichtbaar tot net onder zijn wenkbrauwen. Tenminste, zo dacht ik, aangenomen dat hij geen uitzonderlijk groot voorhoofd heeft.
Aangezien de deurlijst zo’n meter tachtig hoog was, had deze man redelijk veel schoppen onder zijn achterwerk gehad toen hij jong was.
Het verwonderde me niet dat hij gauw met zijn ogen onder de deurlijst gluurde en “Een jeneverke” naar de waard riep.
Het was echt koud daarbuiten. Vandaar ook dat ik met mijn hiel de deur vlug dichtschopte toen het logge lijf helemaal binnengevaren was in “De droge haven”.
Ik keek even rond, het was weer een typische avond. Verleidelijk mooie vrouwen aan de tafeltjes en hun verradelijk rustige mannen aan de toog. Je kon zo zien, ruiken en als je heel gevoelig bent, ook, euhm, voelen dat het nog vroeg op de avond was.
Terwijl de fles zich over de rand van het glas manoeuvreerde, stond ik op om mijn glaasje ook maar even laven.
De grote man vroeg net aan de waard of hij zijn merrie ergens kon onderbrengen voor de nacht, die hij in de herberg zou doorbrengen.
Ik wenke Reynout, de waard, en even later stapte ik ongegeneerd en totaal genegeerd naar de bank en de tafel aan het raam dat het westen aanwijst. Zelfs met die lage winterzon voelde het hier wat warmer dan aan de andere kant.
Nu moet je niet denken dat ik een kouwelijk menske ben, maar het is wel zo.
“Aernken” riep Reynout, luider dan nodig was, en helemaal niet in de maat van het portatief en de schalmei die de bekende geluidjes voortbrachten. Ik kon ze meefluiten, ja.
“Aernken,” riep hij nogmaals, gevolgd door een hoofdgebaar richting het vuur, teneinde de spelende jongen te gebieden nog wat houtblokken op het haardvuur te slingeren.
Ze waren hier allemaal, de bekende gasten, zo realiseerde ik me bij het opspringen van brandende houtsplinters en Aernken, die het redelijk warm kreeg door het plots oplaaiende vuur.
Enkele dronken mannen lachten, alsook Lijsbet, die meestal al dronken is voor ze haar kroes aanraakt.
Floerkijn was hier, de smid, die eigenlijk liever van innerlijke warmte hield, dit mede verstrekt door zijn ouwe klare en de wulpse vrouwen.
Zijn knechten stonden vaker aan het smeedvuur dan hijzelf.
Zijn vrouw Lijsbet moest zoals reeds geschreven niet onderdoen voor hem.
Daar had je Jocen, de schalmijspeler, die in de lente en zomer schaapherder is. Naast hem, met het portatief, zat Geliis, die in de lente en zomer hetzelfde doet als in de herfst en wintermaanden. Niets.
Aan de toog zaten Maes, Voppe, Lisse en de Witte, de brouwers van ’t dorp.
Hun waren aan het proeven, goeie commercanten en volgens mij en het hele grondgebied hun beste klanten.
Ik gaap even en draai mijn hoofd richting de zuidkant om te zien wie daar neergevlijd zit, dat zijn vooral vrouwen met een occasioneel kindje.
Zoete, de vroedvrouw van ’t dorp, de laatste jaren heeft ze veel werk gehad, dat is eraan te zien, je kan de weg niet meer over of je komt een tol tegen, of een hoepel.
Gheertruud is de waard zijn vrouw, en daarnaast zit het knapste vrouwtje van het hele dorp.
Knipoog. Dat is Marijken, mijn vrouwtje.
Ik noem ze Rijketje, en ik ben trots op mezelf dat wij samen zijn en op haar, dat zij er is.
Pieternelle, de schelle, roepen kan ze.
Even is het weer koud als de lange nieuwkomer naar buiten gaat om zijn paard op stal te zetten.
Ik buig me even voorover en zet wat woorden neer op papier, Vrederick, die voor me aan zijn pint bezig is tegelijkertijd vragend of dat kastje dat ik besteld heb al af is.
Hij is mijn beste vriend en meubelmaker.
De man van Zoete. Die eigenlijk Anna heet, maar volgens haar man te zoet is om zo een zure naam te dragen.
Rijketje daarentegen kon geen betere naam gekregen hebben, een heuse verrijking van dit leventje.
Ik zet ostentatief een punt na de woorden: “Kroniek van een rustig dorp.”
Als luchter van boeken en schrijver van onooglijke gedichten en verhalen besloot ik om eens de wonderbaarlijke levenskracht van mijn woonplaats neer te schrijven.
Wie weet heeft iemand er ooit nog eens iets aan.
.....
Aangezien de deurlijst zo’n meter tachtig hoog was, had deze man redelijk veel schoppen onder zijn achterwerk gehad toen hij jong was.
Het verwonderde me niet dat hij gauw met zijn ogen onder de deurlijst gluurde en “Een jeneverke” naar de waard riep.
Het was echt koud daarbuiten. Vandaar ook dat ik met mijn hiel de deur vlug dichtschopte toen het logge lijf helemaal binnengevaren was in “De droge haven”.
Ik keek even rond, het was weer een typische avond. Verleidelijk mooie vrouwen aan de tafeltjes en hun verradelijk rustige mannen aan de toog. Je kon zo zien, ruiken en als je heel gevoelig bent, ook, euhm, voelen dat het nog vroeg op de avond was.
Terwijl de fles zich over de rand van het glas manoeuvreerde, stond ik op om mijn glaasje ook maar even laven.
De grote man vroeg net aan de waard of hij zijn merrie ergens kon onderbrengen voor de nacht, die hij in de herberg zou doorbrengen.
Ik wenke Reynout, de waard, en even later stapte ik ongegeneerd en totaal genegeerd naar de bank en de tafel aan het raam dat het westen aanwijst. Zelfs met die lage winterzon voelde het hier wat warmer dan aan de andere kant.
Nu moet je niet denken dat ik een kouwelijk menske ben, maar het is wel zo.
“Aernken” riep Reynout, luider dan nodig was, en helemaal niet in de maat van het portatief en de schalmei die de bekende geluidjes voortbrachten. Ik kon ze meefluiten, ja.
“Aernken,” riep hij nogmaals, gevolgd door een hoofdgebaar richting het vuur, teneinde de spelende jongen te gebieden nog wat houtblokken op het haardvuur te slingeren.
Ze waren hier allemaal, de bekende gasten, zo realiseerde ik me bij het opspringen van brandende houtsplinters en Aernken, die het redelijk warm kreeg door het plots oplaaiende vuur.
Enkele dronken mannen lachten, alsook Lijsbet, die meestal al dronken is voor ze haar kroes aanraakt.
Floerkijn was hier, de smid, die eigenlijk liever van innerlijke warmte hield, dit mede verstrekt door zijn ouwe klare en de wulpse vrouwen.
Zijn knechten stonden vaker aan het smeedvuur dan hijzelf.
Zijn vrouw Lijsbet moest zoals reeds geschreven niet onderdoen voor hem.
Daar had je Jocen, de schalmijspeler, die in de lente en zomer schaapherder is. Naast hem, met het portatief, zat Geliis, die in de lente en zomer hetzelfde doet als in de herfst en wintermaanden. Niets.
Aan de toog zaten Maes, Voppe, Lisse en de Witte, de brouwers van ’t dorp.
Hun waren aan het proeven, goeie commercanten en volgens mij en het hele grondgebied hun beste klanten.
Ik gaap even en draai mijn hoofd richting de zuidkant om te zien wie daar neergevlijd zit, dat zijn vooral vrouwen met een occasioneel kindje.
Zoete, de vroedvrouw van ’t dorp, de laatste jaren heeft ze veel werk gehad, dat is eraan te zien, je kan de weg niet meer over of je komt een tol tegen, of een hoepel.
Gheertruud is de waard zijn vrouw, en daarnaast zit het knapste vrouwtje van het hele dorp.
Knipoog. Dat is Marijken, mijn vrouwtje.
Ik noem ze Rijketje, en ik ben trots op mezelf dat wij samen zijn en op haar, dat zij er is.
Pieternelle, de schelle, roepen kan ze.
Even is het weer koud als de lange nieuwkomer naar buiten gaat om zijn paard op stal te zetten.
Ik buig me even voorover en zet wat woorden neer op papier, Vrederick, die voor me aan zijn pint bezig is tegelijkertijd vragend of dat kastje dat ik besteld heb al af is.
Hij is mijn beste vriend en meubelmaker.
De man van Zoete. Die eigenlijk Anna heet, maar volgens haar man te zoet is om zo een zure naam te dragen.
Rijketje daarentegen kon geen betere naam gekregen hebben, een heuse verrijking van dit leventje.
Ik zet ostentatief een punt na de woorden: “Kroniek van een rustig dorp.”
Als luchter van boeken en schrijver van onooglijke gedichten en verhalen besloot ik om eens de wonderbaarlijke levenskracht van mijn woonplaats neer te schrijven.
Wie weet heeft iemand er ooit nog eens iets aan.
.....
West-Wonderdorps.
Het was in die dagen onvergeeflijk als je verdraaide woorden rechttrok met een lidwoord in de breedste zin van het woord. Zo gebeurde het dus dat op een stralende nacht, ergens tussen het slapen gaan van de burgervader en het ontwaken van de nachtelijke zonnen, die jullie sterren plegen te noemen, Linus en zijn vrienden iets deden waar nu nog over gespeculeerd wordt.
Was dit binnen de grenzen van de leefcode van Wonderdorp of niet?
Nu hoe het ook zei, de code is wel echt zo goed gecodeerd dat niemand er ook maar iets van begreep.
Dat vormde echter geen probleem voor de rechter en zijn kromme assistent, de griffier.
De vrienden van Wonderdorp werden na de gepleegde feiten ogenblikkelijk bijgezet in het koffiehuisje van madam Waterwonderweg. Heb geen medelijden met degene die fout deden, maar enige compassie is toch wel op zijn of haar plaats.
Nu willen jullie waarschijnlijk niet weten waarom ze deze extreem geweldadige straf moesten ondergaan.
Wel, de wetten van Wonderdorp in acht genomen mag niemand na zevenen meer dan negen keer een persoon wijzen op een taalfout.
Maar onze licht beschonken vrienden, ze waren tot een gat in de avond opgegoten met honingdrank door de waard van het café Den Geverniste Waterweg, lapten daar hun blote voeten aan, want laarzen zijn onbestaand in Wonderdorp.
Op die noodlottige avond kwam uit het niets een ietwat verdwaasde blik die toebehoorde aan Talaspretal, die zich net een weg gebaand had door zinsconstructies die hun weerga niet kennen.
Je kan begrijpen dat zijn hoofd niet in de juiste richting gedraaid was om de vrienden op een treffende en pakkende manier van weerwoord te dienen toen ze vroegen: "Waar zijt gij den hele avond geweest?"
Ik kan dit hier nog lang rekken ende stretchen, maar u en ik hebben daar nu niet echt zin in.
De zin waarmee Talaspretal reageerde op deze hoogst normale vraag was namelijk:
Wa wte gij nui van uitzetn, ge zit gudder nog ollemaole zo jonk dat gene noame é, ge zoet beter stopn me drink to dadde weet woar da den klepel angt.
Was dit binnen de grenzen van de leefcode van Wonderdorp of niet?
Nu hoe het ook zei, de code is wel echt zo goed gecodeerd dat niemand er ook maar iets van begreep.
Dat vormde echter geen probleem voor de rechter en zijn kromme assistent, de griffier.
De vrienden van Wonderdorp werden na de gepleegde feiten ogenblikkelijk bijgezet in het koffiehuisje van madam Waterwonderweg. Heb geen medelijden met degene die fout deden, maar enige compassie is toch wel op zijn of haar plaats.
Nu willen jullie waarschijnlijk niet weten waarom ze deze extreem geweldadige straf moesten ondergaan.
Wel, de wetten van Wonderdorp in acht genomen mag niemand na zevenen meer dan negen keer een persoon wijzen op een taalfout.
Maar onze licht beschonken vrienden, ze waren tot een gat in de avond opgegoten met honingdrank door de waard van het café Den Geverniste Waterweg, lapten daar hun blote voeten aan, want laarzen zijn onbestaand in Wonderdorp.
Op die noodlottige avond kwam uit het niets een ietwat verdwaasde blik die toebehoorde aan Talaspretal, die zich net een weg gebaand had door zinsconstructies die hun weerga niet kennen.
Je kan begrijpen dat zijn hoofd niet in de juiste richting gedraaid was om de vrienden op een treffende en pakkende manier van weerwoord te dienen toen ze vroegen: "Waar zijt gij den hele avond geweest?"
Ik kan dit hier nog lang rekken ende stretchen, maar u en ik hebben daar nu niet echt zin in.
De zin waarmee Talaspretal reageerde op deze hoogst normale vraag was namelijk:
Wa wte gij nui van uitzetn, ge zit gudder nog ollemaole zo jonk dat gene noame é, ge zoet beter stopn me drink to dadde weet woar da den klepel angt.
donderdag, april 15, 2004
elektriciteit!
Het kan soms plotseling donker worden, maar daar is deze persoon ereeds tegen gewapend!
Wegens vergevorderde waterkracht in mijn lijf ben ik tot de conclusie gekomen dat verlegen mensen redelijk wat elektriciteit produceren.
Maar omdat het hun energie is kunnen we dit niet zomaar opslaan.
Daarom leek en lijkt het me geen slecht idee om ze in een richting te duwen die erg gunstig is voor de afname van elektriciteit.
Namelijk een elektriciteitsdraad. Maar bij ons, in Wonderdorp hebben we er daar niet veel van.
Dus kwam ik in smaenwerking met Talaspretal op het lumineuse idee om onszelf ter beschikking te stellen als doorgeefluik voor deze nieuw ontdekte energiebron.
Ik ga er niet veel woorden aan vuil maken, maar na weken van planning en vergaderingen leek alles in plastiek flessen en recycleerbare drankverpakkingen, tot op de Grote Dag één iemand heel toevallig ziek werd.
Ik hoef u waarschijnlijk niet uit te leggen dat elektriciteit van een duizendtal verlegen zielsgenoten veel meer schade kan berokkenen aan één lichaam in serieschakeling dan twee lichamen in parallelschakeling.
Nu is het wel zo dat Talaspretal geen levend wezen in de klassieke zin van het woord is, maar eerder een entiteit! Maar jullie zijn wel intelligent genoeg om de waarde van geestelijke ondersteuning te niet te onderschatten.
Maar goedn nu zijn er al meer woorden vuil dan ere in mijn vaatwasmachine kunnen.
Dus laat ik maar vlug afsluiten met de overduidelijke aanwijzing omtrent mijn huidige fysieke toestand ten gevolge van het verzamelen van voldoende elektriciteit voor het eeuwigdurende genot dat Wonderdorp wel degelijk is.
Aw
Wegens vergevorderde waterkracht in mijn lijf ben ik tot de conclusie gekomen dat verlegen mensen redelijk wat elektriciteit produceren.
Maar omdat het hun energie is kunnen we dit niet zomaar opslaan.
Daarom leek en lijkt het me geen slecht idee om ze in een richting te duwen die erg gunstig is voor de afname van elektriciteit.
Namelijk een elektriciteitsdraad. Maar bij ons, in Wonderdorp hebben we er daar niet veel van.
Dus kwam ik in smaenwerking met Talaspretal op het lumineuse idee om onszelf ter beschikking te stellen als doorgeefluik voor deze nieuw ontdekte energiebron.
Ik ga er niet veel woorden aan vuil maken, maar na weken van planning en vergaderingen leek alles in plastiek flessen en recycleerbare drankverpakkingen, tot op de Grote Dag één iemand heel toevallig ziek werd.
Ik hoef u waarschijnlijk niet uit te leggen dat elektriciteit van een duizendtal verlegen zielsgenoten veel meer schade kan berokkenen aan één lichaam in serieschakeling dan twee lichamen in parallelschakeling.
Nu is het wel zo dat Talaspretal geen levend wezen in de klassieke zin van het woord is, maar eerder een entiteit! Maar jullie zijn wel intelligent genoeg om de waarde van geestelijke ondersteuning te niet te onderschatten.
Maar goedn nu zijn er al meer woorden vuil dan ere in mijn vaatwasmachine kunnen.
Dus laat ik maar vlug afsluiten met de overduidelijke aanwijzing omtrent mijn huidige fysieke toestand ten gevolge van het verzamelen van voldoende elektriciteit voor het eeuwigdurende genot dat Wonderdorp wel degelijk is.
Aw
enen goeden dag allemaal,
grillig toastje met confituur is gearriveerd met zijn dagdagelijkse nachtemmers van vergeten pracht en waardige dubbelgevoerde ijsmantels met het ultiem gedicht in de binnenzak.
Vanaf heden zal ik meestal refereren naar deze wereld met de term Wonderdorp, aangezien mijn wereld nogal bekrompen en dichtbebouwd is, maar dan vooral met prachtige zinnen en filosofische fundamenten die hun gelijke niet kennen.
Wel eventjes bij vermelden dat ze die gelijke niet kennen omdat ik ze enigzins afsluit van de buitenwereld.
Tot nu toe natuurlijk, ik ben even benieuwd als jullie allemaal om het effect op de globale economie hiervan te aanschouwen.
In alle eerlijkheid moet ik wel toegeven dat ik hierbij met raad en daad wordt bijgestaan door de nu al legendarische Talaspretal.
Dan rest mij nog enkel de restjes opgedroogde inkt van mijn gezicht te verwijderen en u uit te nodigen op een fantastische reis doorheen nostalgische en vernieuwende woorden.
Ja, ook ik heb soms last van een heerlijke nostallergie.
gtmc
Vanaf heden zal ik meestal refereren naar deze wereld met de term Wonderdorp, aangezien mijn wereld nogal bekrompen en dichtbebouwd is, maar dan vooral met prachtige zinnen en filosofische fundamenten die hun gelijke niet kennen.
Wel eventjes bij vermelden dat ze die gelijke niet kennen omdat ik ze enigzins afsluit van de buitenwereld.
Tot nu toe natuurlijk, ik ben even benieuwd als jullie allemaal om het effect op de globale economie hiervan te aanschouwen.
In alle eerlijkheid moet ik wel toegeven dat ik hierbij met raad en daad wordt bijgestaan door de nu al legendarische Talaspretal.
Dan rest mij nog enkel de restjes opgedroogde inkt van mijn gezicht te verwijderen en u uit te nodigen op een fantastische reis doorheen nostalgische en vernieuwende woorden.
Ja, ook ik heb soms last van een heerlijke nostallergie.
gtmc